Eindig, maar zo gek nog niet!

Het leven mag dan wel eindig zijn, maar zo gek hebben we het hier in Holland nog niet. Dat zegt tenminste de Global AgeWatch Index, die meet hoe goed het leven is voor mensen boven de zestig.
Niet zo’n gek idee om dat (ook) te meten, als je weet dat er nu al meer mensen boven de zestig zijn dan onder de vijf.
Nummertje 6 staat Nederland, en als je naar de precieze scores kijkt van de top 5, geen reden tot verhuizen, lijkt me. Hieronder de lijst, maar er is ook een mooie overzichtelijke kaart. En uitgebreide uitleg hoe de index is samengesteld.

Global-AgeWatch-Index-2104

Ik zit bij het vuur en denk…

I sit beside the fire and think
of all that I have seen
of meadow-flowers and butterflies
in summers that have been;

Of yellow leaves and gossamer
in autumns that there were,
with morning mist and silver sun
and wind upon my hair.

I sit beside the fire and think
of how the world will be
when winter comes without a spring
that I shall ever see.

For still there are so many things
that I have never seen:
in every wood in every spring
there is a different green.

I sit beside the fire and think
of people long ago
and people who will see a world
that I shall never know.

But all the while I sit and think
of times there were before,
I listen for returning feet
and voices at the door.

Tekst: J.R.R. Tolkien

(Dit lied werd zachtjes gezongen door Bilbo op 24 december T.A. 3018, een paar dagen voor Frodo’s vertrek. Een Nederlandse (nogal oubollige) vertaling is makkelijk te vinden via internet.

In memoriam Jan Remmerswaal

Eind juli las ik in de NRC over het overlijden van Jan Remmerswaal, oud-schoolhoofd van de basisschool Het Volle Leven in Den Haag. Van 1956 t/m 1958 was hij mijn onderwijzer in de laatste klassen van die bijzondere lagere school aan de Rijslag in Scheveningen. Er zijn maar weinig onderwijzers en leraren die ik me goed herinner. Meester Remmerswaal, zoals wij hem toen natuurlijk noemden steekt met kop en schouders boven alle anderen uit.
Helaas kon ik niet bij de crematie aanwezig zijn. Hier wil ik hem eren met enkele herinneringen en woorden.

Waarom hij zo bijzonder was
Hoe jong ik ook was, al heel snel nadat die grote man met zijn scherpe stem voor onze klas stond, was duidelijk dat het niet om ‘zomaar’ weer een nieuwe onderwijzer ging. Meester Remmerswaal bouwde met mij (en vele anderen ongetwijfeld) snel een band op. Op de een of andere manier ‘wist’ hij veel over me, kon me goed inschatten (ik was best een vervelend, lawaaiig jochie) en hij kon me tot de orde brengen. Dat voelde niet naar, integendeel, het voelde al snel vertrouwd. Hier was iemand die me kende, die wist hoe ik in elkaar stak (meer dan ikzelf) en die heel persoonlijk met me kon omgaan.
Toen ik een vechtpartij met bloedige afloop had met een jongen uit de klas die mijn vriend Bert-Joost Juliard voor ‘vuile jood” had uitgescholden, liet hij duidelijk merken dat dat natuurlijk niet kon, zo hard slaan dat iemand tegen de stoeprand een gat in zijn hoofd valt. Maar nog duidelijker liet hij aan de hele klas weten, dat dit soort scheldpartijen niet kunnen, nooit! Straf kreeg ik niet, voorzover ik me kan herinneren.

Raket
Omdat er ook wel eens wat was met mijn jongere zus Manja, leerde hij mijn ouders goed kennen. Met mijn moeder, die vaak overbezorgd reageerde kon hij – op zijn manier – prima omgaan. Een keer in het klaslokaal had ik staan tennissen en de bal keihard tegen de achtermuur van de klas geslagen. Ik moest me bij Levöliger (de concierge, ook een bijzondere verschijning) gaan melden met racket en bal. En Levöliger wist wel raad met zo’n raddraaiertje. Dat ‘raket’ (hij sprak het zo uit, als het projectiel) zou linea recto in de grote verbrandingsoven van de schoolverwarming verdwijnen.

Toen ik dat tussen de middag thuis vertelde raakte mijn moeder in alle staten en snelde met me naar school: schandelijk om zo’n duur racket te verbranden; ze wilde direct verhaal gaan halen bij meester Remmerswaal. Ik weet niet wat er toen precies gezegd en besproken is, maar ik herinner me wel de brede lach op het gezicht van meester Remmerswaal, toen hij en mijn moeder (nog steeds opgewonden) het lokaal uitkwamen en de gang inliepen op weg naar de concierge. Want wat bleek (natuurlijk): het ‘raket’ was niet in de oven verdwenen, maar lag ergens hoog in een kast, en ik kreeg het voorlopig niet terug.

Manja
In de bijna 60 jaar die daarna verstreken, hebben Jan Remmerswaal en ik, we woonden in dezelfde buurt, elkaar tientallen keren ontmoet, meestal op straat. We spraken soms kort, soms langer, maar altijd kwam het ‘raket’ weer tevoorschijn en toverde die brede grijns op zijn gezicht.
Vaak had hij het ook over zijn dochter. Ja, die had die mooie naam te danken aan mijn zusje Manja. Dat had hij altijd zo’n bijzondere naam gevonden.

Pas geleden, bij de kapper op de Valkenboslaan, spraken we nog over hem, over zijn boeken en passies.
Heel jammer dat ik hem nooit meer zal tegenkomen.

Jan-Remerswaal